Ontwerpgebied Digitale identiteiten
Architectuurkaders[bewerken]

Om ketensamenwerking en gegevensuitwisseling in het onderwijsdomein te ondersteunen, biedt de ROSA een samenhangend stelsel van architectuurkaders vanuit verschillende invalshoeken:
- Drivers en doelen – beschrijven maatschappelijke en onderwijsspecifieke ontwikkelingen en benoemen de doelen waaraan ketensamenwerkingen bijdragen.
- Architectuurprincipes – formuleren algemene richtlijnen die richting geven aan de inrichting en ontwikkeling van informatiesystemen binnen het onderwijsdomein.
- Ontwerpgebieden en ontwerpprincipes – groeperen principes per architectuuronderwerp en bieden richting voor het aanpakken van specifieke architectuurvraagstukken.
- Ontwerpkaders bij scenario’s – vertalen ontwerpprincipes naar concrete richtlijnen voor de inrichting binnen ketensamenwerkingen en andere toepassingen.
Inleiding[bewerken]
Het ontwerpgebied Digitale identiteiten heeft betrekking op digitale identiteiten die worden gehanteerd om entiteiten in het onderwijsdomein te kunnen herkennen. Ontwerpprincipes in dit ontwerpgebied en daarvan afgeleide ontwerpkaders helpen projecten bij het hanteren van identiteiten in toegangsvraagstukken en nline identificatie en authenticatie van onderwijsdeelnemers, onderwijsmedewerkers en andere bij het onderwijs betrokkenen.
Digitale identiteiten[bewerken]
Een Digitale Identiteit is een verzameling gegevens (Attributen) die een digitale representatie zijn van een Entiteit binnen een bepaald digitaal toepassingsgebied. Een Entiteit kan meerdere Digitale Identiteiten hebben (binnen hetzelfde of andere contexten).
Bronidentiteit en functionele digitale identiteit[bewerken]
Digitale Identiteiten kunnen een onderlinge samenhang hebben. Er kan hierbij onderscheid worden gemaakt tussen een digitale bronidentiteit - een digitale identiteit die is vastgelegd in een informatievoorziening die als "gezaghebbende bron" is aangewezen - en een (contextspecifieke) functionele digitale identiteit. Enkele attributen in een funtionele digitale identiteit) kunnen een-op-een gelijk zijn aan de overeenkomstige attributen in een bronidentiteit (Leidende Digitale Identiteit). Het is dan een kwaliteitseis dat deze attributen in de functionele digitale identiteit een zekere mate gelijk moeten zijn en gelijk gehouden worden aan die in de bronidentiteit.
Metadata[bewerken]
Bij een Digitale Identiteit kan metadata behoren, bijvoorbeeld de organisatie die de Digitale Identiteit heeft vastgesteld en de datum waarop dat is gedaan, en de mate van betrouwbaarheid van attributen.
Ontwerpgebieden H2M interactie en M2M gegevensuitwisseling[bewerken]
Digitale identiteiten worden in verschillende scenario's toegepast en voor elk van deze scenario’s bestaan specifieke ontwerpgebieden:
- H2M interactie: online identificatie en authenticatie van onderwijsdeelnemers, onderwijsmedewerkers en andere bij het onderwijs betrokkenen
- identificatie en authenticatie van de dienstafnemer en de dienstaanbieder
- verkrijgen van additionele identificerende attributen van de onderwijsdeelnemer, onderwijsmedewerker en andere bij het onderwijs betrokkene (ten behoeve van het bedrijfsproces)
- M2M gegevensuitwisseling: gegevensuitwisseling tussen twee partijen
- identificatie en authenticatie van de uitwisselende partijen (instellingen e.d.)
- identiteitsverklaringen (over natuurlijke personen) die worden uitgewisseld (op protocolniveau)
- identificerende attributen (over natuurlijke personen) die als onderdeel van de ‘payload’ worden uitgewisseld (al dan niet in bulk)
IV-domeinen[bewerken]
Voor elk van de scenario’s waarin digitale identiteiten worden toegepast zijn ook IV-inrichtingsscenario’s en IV-inrichtingssjablonen beschikbaar. Deze geven inzicht hoe vraagstukken rond de informatievoorziening bij deze scenario’s ingevuld kunnen worden.
De IV-inrichtingsscenario'sen IV-inrichtingssjablonen ten behoeve van een H2M interactie worden beschreven binnen het IV-domein IAM. De inrichtingsscenario's ten behoeve van een M2M gegevensuitwisseling worden beschreven in het Gegevensuitwisseling.
Model[bewerken]
Ontwerpprincipes Digitale identiteiten[bewerken]
| Naam | Stelling | Rationale | Implicaties |
|---|---|---|---|
| De digitale identiteit is contextspecifiek | De digitale identiteit is uniek binnen de gedefinieerde scope en is alleen eenduidig te herleiden naar een Entiteit in gevallen waar dit noodzakelijk is. | De digitale identiteit moet het mogelijk maken om samen te werken binnen een specifieke context. |
|
| Digitale identiteit passend bij betrouwbaarheidsniveau | Hanteer een digitale identiteit passend bij het vereiste betrouwbaarheidsniveau. | Niet iedere toepassing vereist dezelfde mate van zekerheid over de identiteit van een entiteit. |
|
| Een entiteit heeft minstens één digitale identiteit | Een entiteit (individu, organisatie, systeem) heeft ten minste één digitale identiteit. | Om een entiteit te kunnen herkennen in gegegensuitwisseling en voor toegang heeft die entiteit een digitale identiteit nodig. | Een persoon heeft minstens één digitale identiteit (maar kan desgewenst ook meerdere digitale identiteiten verkiezen te gebruiken. |
| Eigen regie over digitale identiteit | Stel een natuurlijk persoon (waar wenselijk) in staat om regie te voeren over de eigen digitale identiteit (uit verschillende bronnen). | Een natuurlijk persoon is zelf verantwoordelijk voor de eigen digitale identiteit en moet daarom in staat gesteld worden om zelf regie te voeren op deze digitale identiteit. Hierdoor kan de persoon zelf een afweging maken tussen beschermen van zijn of haar privacy en het mogelijk maken van goede dienstverlening. |
|
ROSA Architectuurprincipes relevant voor Digitale identiteiten[bewerken]
| Naam | Stelling | Rationale | Implicaties |
|---|---|---|---|
| Dataminimalisatie | Verwerking van persoonsgegevens moet toereikend zijn, ter zake dienend, en beperkt tot wat noodzakelijk is. |
| |
| De onderwijsdeelnemer voert regie op zijn eigen onderwijsgegevens | De onderwijsdeelnemer wordt in staat gesteld reeds bekende gegevens (her) te gebruiken, en in sommige gevallen te bewerken, en te beslissen welke partijen al dan niet mogen inzien, gebruiken en bewerken | Om de onderwijsdeelnemer optimaal te kunnen ondersteunen in zijn ontwikkeling en groei zal de informatiehuishouding voor de burger zelf ook transparant moeten zijn en is het noodzakelijk dat hij regie kan voeren op zijn eigen (onderwijs)gegevens. | Transparantie betekent dat het voor de onderwijsdeelnemer duidelijk moet zijn bij welke organisatie welke gegevens over hem zijn opgeslagen. Regie betekent dat de onderwijsdeelnemer in staat wordt gesteld deze gegevens (her) te gebruiken en in sommige gevallen te bewerken, en te beslissen welke partijen al dan niet mogen inzien, gebruiken en bewerken. Daarbij is het niet noodzakelijk dat gegevens centraal worden beheerd en opgeslagen, maar dat gegevens op het moment dat het nodig is, opgehaald kunnen worden bij de bron. Dus geen centraal dossier, maar een samenstelling van diensten. |
| De onderwijsmedewerker voert regie op zijn eigen onderwijsgegevens | |||
| Doelbinding | De verwerking van persoonsgegevens moet gebonden zijn aan een specifiek doel. |
| |
| Eenmalige registratie meervoudig gebruik | We streven ernaar dat gegevens binnen het onderwijsdomein steeds op één plaats worden geregistreerd en van daaruit op andere plaatsen worden hergebruikt. | Veel gegevens worden op verschillende plaatsen in de onderwijsketen bijgehouden. Dit leidt tot onnodige administratieve lasten. | Gegevens die reeds in het onderwijsdomein bekend zijn, worden niet opnieuw samengesteld of uitgevraagd maar in plaats daarvan hergebruikt. |
| Unieke en betrouwbare identificatie van entiteiten | Zorg voor unieke en betrouwbare identificatie van entiteiten (individuen, organisaties en systemen). | ||
| Zeggenschap in kaart | Van gegevens die in ketenprocessen worden uitgewisseld, is duidelijk welke partijen welke zeggenschapsrechten over die gegevens hebben. | We streven er naar dat beschikbare informatie niet opnieuw wordt uitgevraagd. Hiervoor is het noodzakelijk om een overzicht op te stellen van alle voor de levering van een dienst noodzakelijke gegevens. Verschillende partijen hebben verschillende rechten en plichten jegens die gegevens. Zo is uitwisseling in sommige gevallen wettelijk geregeld, en vereist het in andere gevallen de toestemming van het onderwerp of de 'eigenaar' van de gegevens. De zeggenschap van verschillende partijen over de gegevens bepaalt in belangrijke mate hoe de gegevens in de keten gebruikt kunnen worden. | Van elk gegeven is vastgesteld waar het geregistreerd staat, welke partij het gegeven voor hergebruik aan de keten ter beschikking stelt, wie de gegevens bij die bron mogen inwinnen, wiens toestemming vereist is voor uitwisseling, welke partijen inzagerecht hebben, wie de gegevens mogen corrigeren en/of bijwerken, en onder wiens verantwoordelijkheid vernietiging van de gegevens kan geschieden. |
ROSA Doelen relevant voor Digitale identiteiten[bewerken]
Ontwerpkaders ontleend aan Ontwerpprincipes Digitale identiteiten[bewerken]
| Naam | Scenario | Stelling | Rationale | Implicaties |
|---|---|---|---|---|
| Attributen worden beperkt tot wat de context/dienst vereist | Inrichten Identity & Access Management (IAM) | De attributen in de identiteitsverklaring worden beperkt tot de attributen die de context/dienst vereist. | De digitale identiteit moet het mogelijk maken om samen te werken binnen een specifieke context. |
|
| Biometrische kenmerken zijn geen onderdeel van de digitale identiteit | Inrichten Identity & Access Management (IAM) | Biometrische kenmerken zijn geen onderdeel van de digitale identiteit | Gecentraliseerde systemen die biometrische gegevens vastleggen of gebruiken zijn hiervoor zowel vanuit privacy als security fundamenteel ongeschikt, want veel te riskant. Oplossingen waarin biometrische kenmerken uitsluitend worden beheerd en gebruikt op de eigen device lijken voor identiteitsverificatie wel geschikt, mits de kenmerken zelf niet worden gedeeld. Verwerking van biometrische gegevens is in beginsel verboden, met slechts drie uitzonderingsgronden: 1. Expliciete wettelijke grondslag; 2. Strikte noodzakelijkheid en proportionaliteit voor de beoogde authenticatiedoelstellingen; 3. Uitdrukkelijke en vrijelijke toestemming van de (onderwijs)betrokkene. |
|
| De digitale identiteit is veilig | Inrichten Identity & Access Management (IAM) | Toegang tot digitale diensten ("relying parties") wordt verleend op basis van verifieerbare verklaringen die afkomstig zijn van vertrouwde partijen ("trusted parties”). | De verschillende entiteiten kunnen elkaar vertrouwen in het digitale domein Een veilige digitale identiteit is beveiligd tegen misbruik om vertrouwen te borgen. |
|
| Entiteiten beschikken over een digitale identiteit voor toegang | Inrichten Identity & Access Management (IAM) | Entiteiten binnen een afsprakenstelsel moeten zichzelf elektronisch kunnen identificeren en authentiseren. | De verschillende entiteiten (partijen in een bepaalde rol) zullen met elkaar in het digitale domein interacteren. Zij moeten hiervoor beschikken over een (betrouwbare) digitale identiteit. Een afsprakenstelsel bevat afspraken over digitale identiteiten. Deze afspraken en het nakomen hiervan zorgen voor vertrouwen (vertrouwensraamwerk). |
|
| Toegang is gebaseerd op verifieerbare verklaringen | Inrichten Identity & Access Management (IAM) | Toegang tot digitale diensten ("relying parties") wordt verleend op basis van verifieerbare verklaringen die afkomstig zijn van vertrouwde partijen ("trusted parties”). | Digitale identiteiten worden betrouwbaarder wanneer organisaties vertrouwen kunnen baseren op verifieerbare verklaringen van erkende en betrouwbare partijen. Dit versterkt de zekerheid en integriteit van toegangsverlening. |
|
| Universele digitale identiteit | Inrichten Identity & Access Management (IAM) | Een onderwijsbetrokkene heeft een universeel te gebruiken digitale identiteit | Om identiteiten op een veilige en betrouwbare en interoperabele manier te koppelen, maken we gebruik van unieke attributensets. Een onderwijsbetrokkene moet geïdentificeerd kunnen worden met een stabiele, unieke set attributen. Deze attributen zijn te relateren aan, of af te leiden van, verschillende identiteitstelsels die binnen en buiten het onderwijs gebruikt worden. |
|